Munthunter schreef:Patrickp_nl schreef:...want wiskundige berekeningen wijzen uit dat de verdeling 1, 2, 5, 10, 20, 50 etc... de minste geldhandelingen vereist...
...Waarom biljetten van 20, 40 en 60 gulden enz. ? Is die wiskundige berekening ergens te vinden Patrick? Wellicht is die ook wel veranderd gezien de vele digitale (pin) betalingen en hierdoor minder fysiek geld nodig is en grote bedragen veelal met zonder fysiek geld betaald worden?...
In 1999 werkte ik als analist bij de IT organisatie die de automatisering voor de KBB bedrijven deed (Hema, Bijenkorf, Praxis, etc.).
Mijn directeur was ook landelijk voorzitter invoering Euro MKB. Hij vroeg mij destijds betaalinformatie uit de kassa's te analyseren...
Samen met iemand van De Nederlandse Bank heb ik toen van 100.000-den kassatransacties het betaalpatroon vastgesteld.
Als er 1 gulden betaald moet worden, waar betaalt men dan mee, hoeveel wisselgeld nodig.
Als er 5 gulden betaald moet worden, waar betaalt men dan mee, hoeveel wisselgeld nodig.
En dat uitgezet naar dagen van de week en in relatie tot bijzondere activiteiten in de buurt van het gemeten filiaal. (Braderie, markt, etc.).
Wat toen opviel is dat de pin-automaten een groot deel van het betaalgedrag dicteren. Er kwamen destijds voornamelijk briefjes van 100 gulden uit de flappentap. En wat moest je daarmee? Op de markt konden ze vroeg in de ochtend niet wisselen. Dus dan maar naar de Hema, en een zak krentenbollen van 1 gulden kopen en met 100 gulden betalen. 99 gulden wisselgeld, de 100 gulden gebroken en op naar de markt voor de echte boodschappen.
De winkel dus als wisselstation.
Deze conclusie is de belangrijkste uitkomst, (verhouding omzet : wisselgeld gemiddeld op zaterdag 1:19!!).
Deze conclusie is de reden geweest dat MKB Nederland heeft geweigerd de eerst voorgestelde omwisselmethode te laten zijn dat een consument met guldens betaalt, en de winkelier met Euro's moest terugbetalen. Met een gemiddelde van 1 op 19 zou je dus 19 keer je dagomzet per kassa aan wisselgeld in huis moeten hebben...
Dan terug naar de echte vragen... Die wiskundige berekening heb ik niet (meer)... Het is ook niet echt wiskunde, meer een statistische berekening en stamt uit de beginjaren van de 20ste eeuw. De invloed van giraal geld ten opzichte van chartaal geld is natuurlijk onmiskenbaar. Er gaan weken voorbij dat ik helemaal geen cash transacties heb. In de bedrijfskantine waar ik werk kan ik nu met mijn ING pas zelfs pinnen zonder pincode! Waarom zou ik nog cash hebben... Elke winkelier heeft liever dat je kleine bedragen pint, omdat het sneller is en alle geld-handelingen meegerekend goedkoper is dan een fysieke geld transactie.
Als je naar de Nederlandse geldgeschiedenis kijkt (voorbij papiergeld) dan zie je dat na de periode van de Franse Revolutie en Bataafse Republiek de "geldhuishouding" in Nederland een zooitje was. (In het volgende watermerk publiceer ik een van mijn Placaten waarin de inwoners van de provincie overijssel geleerd wordt hoe ze de Brabantse gouden kronen dienen te verrekenen

).
Willem I had dat snel in de gaten en liet zijn ministers daar snel een eind aan maken. Bedragen als ƒ 12 - 8 - 10. Wat moet je daarmee? Je moet al bijna wiskundige zijn om dat te kunnen berekenen (uitgesproken als 12 gulden, 8 stuivers, 10 penningen).
De kaswissels vanaf halverwege 18e eeuw zijn ook nog in deze gefractioneerde bedragen uitgeschreven, soms aan toonder (dus vallen ze onder mijn definitie van papiergeld en zijn het geen "gewone" cheques meer).
Eind 18e eeuw zie je dat men begint ronde bedragen voor te drukken, maar nog wel volgens onze huidige decimale stelsels rare getallen (de 7 en 14 gulden zie je "zeer vaak" -voor zover je van zeer vaak bij uiterst zeldzaam materiaal kunt spreken-

).
Willem I (nou ja, onder zijn 'regime') heeft onder Franse invloed de Gulden van het Koningrijk [SIC] der Nederlanden verdeeld in 100 centen. De 5 cent leek het meest op de oude stuiver (al was die onderverdeeld in 4 duiten, nu in 5 centen... dan denk je dat wij het lastig hadden met de gulden-euro omrekenkoers. Wat dacht je van ongeletterden en ongeschoolden die ineens stuivers van 5 centen ipv 4 duiten ter verrekening hadden...). Overigens komt het woord Stuiver niet meer in de muntwet voor...
De munt van 10 cent, dus twee keer de nieuwe stuiver werd daardoor nog steeds dubbeltje genoemd.
En om de gulden in een decimaal stelsel dan in 4 gelijke delen te delen... slaat helemaal nergens op. In 5 delen was decimaal gezien veel logischer geweest. Dus een dubbeldubbelstuiver of zo van 20 cent lag veel meer voor de hand, maar het werd de kwart gulden van 25 centen. (5 stuivers, i.t.t. de oude schelling die vaak een waarde van 6 stuivers had

).
Waarom dan de reeks briefjes van 25, 40, (GEEN 50!), 60, 80, 100, 200, (GEEN 250!), 300, 500 en 1000 gulden...
Verschillende ministers met verschillende ideeën, weinig ervaring met de nieuwe coupures.
De 80 gulden is zo kort uitgegeven dat deze eigenlijk verwaarloosd kan worden...
De reden dat er zoveel verschillende coupures waren is te verklaren uit het feit dat het tot 1863 geen wettig betaalmiddel was, en men met dergelijke grote bedragen één biljet per transactie gebruikten. Het bedrag moest dus zo dicht mogelijk bij het feitelijke transactiebedrag liggen.
Tot 1863 zie je dan ook dat ondanks dat de biljetten eigendom en gegarandeerd door DNB "aan toonder" werden uitgegeven, deze in de praktijk veelal voor één financiële transactie werden gebruikt, waarbij de ontvanger eiste dat de gever zijn bedrijfsstempel, naam en handtekening plaatste, vaak ook nog de aard en omvang van de transactie. Zo'n aantekening op de achterkant noemen we een endossement. Er zijn gevallen bekend dat er papiertjes aan de biljetten geplakt werden als "vervolg endossement".
Conclusie? Ik weet het ook niet precies en bronnen kan ik al helemaal niet citeren...
Zo de pen is weer leeg.
![[frog] froggy](./images/smilies/froggy.gif)