Hoofdstuk 4. Het verval en de opkomst West- Europa

In deze rubriek vindt je veel informatie over het onstaan van de munt. Veel achtergrond informatie en leuke weetjes. Houdt je niet in om leuke weetjes te plaatsen.

Moderator: grivnagozer

grivnagozer Nederland
Moderator
Moderator
Berichten: 2676
Lid geworden op: 28 jul 2009, 01:47
Locatie: rotterdam

Hoofdstuk 4. Het verval en de opkomst West- Europa

Bericht door grivnagozer » 12 mar 2010, 11:39

De nimmer aflatende drang naar macht bracht de Romeinen als bezettende macht over een groot continent en voortgaande economie alsmede een nimmer aflatende oorlog.

De Rijn en de Donau waren de noordgrens in Europa, en de rivieroevers waren ingericht met 15 meter palen, wachttoren, 15 meter palen, wachttoren, onderbroken met hier en daar een poort, waar standaard een brug voor was aangelegd. Deze houten verdedigingsmuur was ongeveer net zo groot als de later vervaardigde stenen Chinese muur.

Overal waar de Romeinen een kampement hadden, welke kon uitgroeien tot een stad, betaalde men met stukken metaal. Wanneer het legioen verder trok, verviel men weer tot ruilhandel wegens gebrek aan pasmunt.

We lazen in hoofdstuk 3 dat in 452 na Christus Rome geplunderd werd, en dat dit het einde was van het West-Romeinse rijk. De kindkeizer Romulus Augustus wordt door de Goth Odoaker, hoofd van de Heruli-stam, van de stoel gegooid in 476. Deze kindkeizer vertrekt met een handjevol Praetorianen naar Brittannica om het Negende Legioen te formeren, wat bij de muur van Hadrianus gelegerd was. Daar aangekomen blijken de legionnairs al jaren niet uitbetaald te zijn en hun gezinnen te hebben gekregen bij Angelsaksische vrouwen. Uiteindelijk stellen hedendaagse historici Romulus Augustus, die een lokale vrouw zal huwen daar hij nooit meer naar Rome kan terugkeren, aan als vader van de legendarische koning Arthur. Romulus Augustus had een zwaard geërfd van de in 44 BC vermoordde voorvader Julius Caesar, waarvoor de Gothen heilig ontzag hadden, met een vervaagde inscriptie EX. C.A...LIB.V.R.

In 476 worden munten uitgegeven met het portet van Romulus Augustus, en dat is het dan.

In 489 is Italië een slagveld waar lokale bevolking van links naar rechts verhuist doordat de Ostrogothen de Herculii verslaan. Odoaker wordt in 493 vermoordt en de Ostrogoth Theodoric wordt de heerser van West-Europa.

Theodoric de Ostrogoth (493-526) voert een muntherziening door, zodat alles wat rouleert wordt ingenomen en vervangen door gouden, zilveren en bronzen munten. men mist de vaardigheid van Romeinse stempelsnijders, en zodoende wordt de enige munt die de Ostrogothen kenden, gekopieerd: de Byzantijnse keizer Anastasius.
Door de massale aanmunting zijn Byzantijnse Anasthasius en kopietjes van Theodoric niet uit elkaar te houden door de meeste munthandelaars.

Theodoric wordt opgevolgd door Athalaric (526-534) en Theodahad (534-536). In 526 begint door schromelijk gebrek aan pasmunt ook resterende Romeinse muntslag gekopieerd te worden onder deze vorsten. Deze kopietjes dragen altijd een grof portret van een keizer.

De wereldeconomie stort in en er zijn geen handelskaravanen meer. Het nut van een munt verdwijnt nu. Het worden sieraden.

Het Oost-Romeinse Rijk, herdoopt in Byzantium, heeft keizer Justinianus I, die het als een verplichting ziet de glans en glorie van het oude Rome in eer te herstellen, met dien verstande dat Constantinopel de hoofdstad is en blijft, en niet het door sommige Christelijke kerkvorsten beoogde Ravenna.
Justinianus begint gebied te heroveren tussen 527 en 565 op de Ostrogothen, en al zijn opvolgers gaan daarmee door tot en met Basil I (867-886). Zodoende roteren de oude Romeinse muntpersen in Italië (Rome en Ravenna) weer met naamloze follis, waar de naam van de keizer soms vermeldt wordt en een Christuskop ons al of niet aankijkt, dit onderverdeeld in 11 verschillende typen en grootten. Het aangemunte goud draagt meestal de maagd Maria met aan de andere zijde een deel van de Keizerlijke familie.
Zilver (Milliarense) is gereserveerd voor de Keizerlijke familie enerzijds en een Christelijke heilige anderszijds. Eeuw na eeuw blijven deze Italiaanse slagen bijgemunt worden en rouleren. Aan het einde kan je niet eens meer zien wat je in handen hebt.

De aanvankelijk gouden Solidi (Solidus) munten worden in de loop van de achtste eeuw Nomisma genoemd. De Byzantijnse aanmunting staat als waardebepaling aangeduit met een letter, waarvan de Nummi de rekeneenheid heet. Meest voorkomend zijn de:

M 40 NUMMIA
K 20 NUMMIA
I 10 NUMMIA
E 5 NUMMIA
B 2 NUMMIA

In de 11e eeuw zal Byzanthium zijn schotelvormige munten gaan aanmunten, welke in het begin van goud zijn. Men noemt deze munten Scyphaten. Was een Solidus 4.5 gram goud, bij de Scyphaat varieert deze. Periodiek verschenen 1/3 Solidus wordt Triens genoemd.

Met het begin van het Frankische rijk werd onder koning Dagobert (629-639) Lutetia (Parijs) de hoofdstad. Hij had een goudsmid in dienst, enen Eligius de Noyon, wiens naam veel voorkomt op de vroege Franse muntslag en derhalve een heiligenstatus verdiende: Sint Eligius wordt aldus de beschermheer van de goudsmeden en het muntwezen.

Charlemagne (Karel de Grote) trekt in 776 de Alpen over van Gallia (Frankrijk) naar Italië. De Lombarden worden onder de voet gelopen en de Romeinse muntplaatsen Rome en Ravenna worden heropend en gaan munten vervaardigen. De Paus wordt van een geestelijk vorst een wereldlijk vorst met een eigen leger van God, en gaat hiertoe zijn eigen munten slaan. Adrianus I (772-795) was de eerste Paus met zijn eigen naam op de munt.

Otto I wordt in 962 gekroond tot keizer op voordracht van de koning van Italië, Berengarius II, zodat het toenmalige Heilige Roomsche Rijk in de handen kwam van de Duitse Saksische Koningen, die het doorgaven aan hun opvolgers. Deze Saksische vorsten hebben vanaf de tiende eeuw tot de dertiende eeuw aangemunt, vaak éénzijdig geslagen (BRACTEAAT), met een heilig symbool.

In Italië lag de muntslag stil daar het koninkrijk ophield te bestaan, en elke stad een eigen rijke familie had die knokte met de rijke familie van een andere stad. Men vocht voor de meest betalende (Condottieri). Uiteindelijk blijven een paar grote rijke families over, die ter meerdere eer en glorie hun eigen persoonsgegeven op de munten gaan aanbrengen in de dertiende tot de vijftiende eeuw, zijnde een wapenschild en/of een portret.
Het politiek systeem van het Italiaanse landschap wijst terug naar de Hellenistische beschaving: onafhankelijke steden die elkaar constant verzwakken in plaats van versterken door afgesloten bondgenootschappen.

Milaan (Mediolanum in het Romeins), Napels, Sicilia, Genua en Venezia hebben 1 ding gemeen: de eeuwenoude Romeinse naamsaanduiding voor deze gebieden werd vervangen door: de eigen familienaam, wel zo gemakkelijk. En al deze rijke families stimuleerden de economie zowel als de oorlog onderling, en om niet afhankelijk te zijn van de Paus of Rome, maakte men eigen lokale munten die je alleen kon uitgeven binnen het gebied waar de familie heerste, en soms in het gebied van een andere bevriende familie. (Denk William Shakespeare: Romeo en Julia. De koopman van Venezia is een andere weergave van een waargebeurd verhaal dat beschrijft dat de Wet geen onderscheid maakt, slechts degene die de munt slaat maakt onderscheid)).

De Ducaton van Venezia wordt de handelsmunt die internationaal gezien de munten van het Byzantijnse Rijk (schotelvormige trachy) gaat overschaduwen naarmate de vloten der handelssteden groeien. De knielende doge aan het kruis van christus enerzijds en de stadsheilige anderszijds.

Met de introductie van de wedergeboorte (Renaissance) tot aan de verovering van Italia door de Corsicaan Napoléon Bonaparte, slaat iedere welgestelde familie eigen munten in een gebied waarbij de vestiging de familienaam draagt.
Al deze munten op 1 hoop gooiend, zie je slechts 1 onderscheid: het ziet er of Romeins uit met een randschrift om het portret heen, of het ziet er Byzantijns uit, met een paar onduidelijke letters.
Veel zuidelijk gelegen steden kopieerden Arabische munten inclusief arabisch schrift!, dit voor de handel op Noord-Afrika.

Frankrijk daarentegen kent een onderverdeling aan Middeleeuws geld, welke te verdelen is in 5 chronologische gradaties.

1: Kopiëen van Romeinse muntslag van Lyon (Lugdunum), grof en onleesbaar, welke de bezettende machten achterlieten en overnamen:
VISIGOTHEN-BOURGONDIËRS- MEROVINGERS, tussen 500 en 751 na Christus.

2: periode 751-987 na Christus. de Karolingers, zowel koningen als keizers, met de nieuwe zilveren DENIER, een gallicisme van Denarius.
Koning Hugo Capet tot en met Lodewijk/ Louis VIII.
Ten tijde van Hugo Capet verschijnt de eerste chronologische muntenlijst van wat rouleert en wat niet.

3: 987-1126 na Christus: de introductie van de grootformaat GROSSO en de hermunting van gouden munten: Koning Lodewijk/ Louis IX tot en met Charles/ Karel VIII.

4: 1498-1792 na Christus: de aanmunting er Bourbons tot en met de Franse revolutie. Modernisering van het aanmuntingsproces.

5: 1792-1960: de aanmunting tussen Napoléon Bonaparte en de Vijfde Republiek.

Spanje kopieerde de muntslag van de Romeinen, totdat enkele rijke families hun eigen vestigingsplaats stichten en daar lokaal geld voor gaan slaan: Castilia, Navarra en Aragon. Wanneer Ferdinand van Aragon trouwt met Isabella van Castilia in 1479 begint de opmars van het Spaanse wereldrijk. 1497 is het jaar dat alle roulerende munten worden ingenomen, omgesmolten en vervangen door een nieuw muntstelsel.

goud:
20 Ducatons of Dukats geheten, tot Hollands verbasterd naar Dukaten (D)
10 Dukaten
4 Ducaten
2 Ducaten.
munten van 1 Dukaat bestaan in deze periode niet!

zilver
8 Reales
4 Reales
2 Reales
munten van 1 Real bestaan in deze periode niet!

Tot en met 1808, het jaar dat Joseph Bonaparte op de troon van Spanje komt, varieert alleen de muntplaats en de naamstelling in dit muntstelsel.
met de grondwet van Cadiz uit 1812 worden de Fransen verslagen en gaat het koninkrijk Spanje tot de moderne muntslag behoren; machinerie i.p.v. hameren.

Het wereldrijk Spanje sluit in 1421 met de Portugezen het verdrag van Tordesilhas. Alles wat links van de getrokken lijn ligt is Spaans grondgebied, alles wat rechts van de lijn is gaat naar Portugal. Engeland en Nederland reageren met de opbouw van een gigantische maritieme en dito handelsvloot, om te voorkomen dat alle goederen naar Portugal en Spanje gaan. De zilvermijnen van Potosi en de Conquistadores veroveren en vernietigen eeuwenoude beschavingen, en op basis van het gewichtenstelsel worden metalen ingestempelde schijven vervaardigd om naar het moederland te worden verscheept (COBS), om aldaar in pasmunt te worden omgezet. Internationaal worden dit de Pieces of Eight (deelstukken van acht) genoemd, die een standaard gewicht behoorden te hebben. Deze munten worden het meest in scheepswrakken aangetroffen.

Portugal was door de Spaanse koning Alfonso I een zelfstandig koninkrijk verklaard in 1112 na Christus. Tussen 1580 en 1640 was het koninkrijk bezet Spaans gebied. Ten tijde van de Spaanse overheersing bleven de Portugezen hun eigen munten vervaardigen.

Duitsland is een wirwar van uitgevende machten. Dit alleen al blijkt uit de Davenport-catalogus: zelfs op de muntsoort Thaler (28mm of groter) zijn alleen in 1700 al 95 verschillende uitgevende machten.
De numismaat Carson heeft gepoogd een onderverdeling te maken waaronder middeleeuws Duitsland te verdelen valt:

1) Merovingers en Karolingers welke munten merendeels afkomstig waren uit Frankrijk. grofweg van 600 tot en met 900 na Christus. de Frankische muntslag waren grotendeels gekopieerde Romeinse Aureus.
Onder Pepijn de Korte (752-768) komt er een zilveren DENAR in de roulatie, afkomstig van denarius, welke ogenschijnlijk gelijk zijn aan de Engelse zilveren Pennies. muntmeester Offa had een Engelse zilveren penny in bezit en ging deze kopiëren voor Pepijn de Korte. Goud was schaars in Duitsland, maar zilver was genoeg voor hande. Men had zilvermijnen genoeg en al het Romeinse gevonden goud was omgesmolten.

2) De DENAR van de Saksischse koningen tot en met 1137 geslagen.

3) De dubbelzijdige aanmunting wordt veranderd in éénzijdige aanmunting, de Bracteaat. Schwaben, Frankenland en diverse Saksiche onderkoninkrijkjes vervaardigen deze dunne munt, die gemakkelijk breekbaar was. Er was een gigantisch slagaantal bracteaten in de eerst volgende 200 jaar uit Brandenburg, Thuringen, Pomerania, Pruissen, Schwaben, Bayern en Frankenland (Franconia). Men had de ambitie om edelmetaal te gebruiken, terwijl koper en brons duurzamer in gebruik waren maar minderwaardig weren gevonden.

4) Denar van Hohenstauffen (1150-1350), overgenomen door vnl. Franconia en Schwaben in het eerste gedeelte der veertiende eeuw, welke rouleerde naast aanwezige Bracteaten.

5) 1300-1500 het middeleeuwse goud, gevangen in de term GROSCHEN, verbastering van het Italiaanse Grosso. Het handelsverbond van Hanzesteden was een voorbeeld van het gegeven dat de economie in West Europa opbloeide ondanks de vele ziekten en oorlogen onderling. Goud was het metaal om internationaal mee af te rekenen, dit veelal naar gewicht. De Franse Gros Tournois van Louis IX uit 1266 is de eerste niet Duitse munt die in Duitsland wordt geaccepteerd als wettig betaalmiddel, puur op gehalte en gewicht.

Er was altijd een tekort dus men ging kopiëren; in 1300 was de verbasterde term GROSCHEN. In hetzelfde tijdperk, en wel het jaar 1252 na Christus, slaat men in Florenzen een gouden munt, de Fiorini, welke in de Duitse gebieden Florin gaat heten. Deze florin zou spoedig ook in talloze kopiën verschijnen.

6) 1500 tot en met 1806: het koper en brons gaat weer rouleren naast zilver en goud. Honderden uitgevende machten naast elkaar. De Thaler gaat rouleren als tegenwicht op de gouden circulatiemunten. Naar dialect van uitgevend gebied werd de Thaler verbasterd tot Tolar, Dollar, Daler.
De thaler werd zo populair, dat aan de andere kant van de zee ook een Thaler ging rouleren: in 1551 een 5 shillings in het Verenigd Koninkrijk. Hier ging de munt Crown heten. Vanaf het verschijnen van de grote zilveren munten beginnen vooral bankiers enerzijds als adellijke families een muntencollectie aan te leggen.

7) Hertogen, Bisschoppen, Graven, Koningen, Keizers: de vorst als uitgevende macht 1806-1871.

8 ) In 1871 ontstaat Duitsland zoals wij het kennen en spreekt men van het keizerrijk Duitsland. Eén gezamenlijke munt (100 Pfennig = 1 Mark), en munten met een denominatie van 2 mark of hoger verschijnen separaat in alle nog bestaande Duitse vorstenhoven tot en met 1916.

Vanwege de uitzonderingspositie van eiland dat Verenigd Koninkrijk heet, verwijs ik naar hoofdstuk 5.

Terug naar “Geschiedenis en het onstaan van munten”